English → Nederlands
Werkwoordconstructies
Het werkwoord na een ander werkwoord: want to, enjoy doing, like doing of to do, make en let someone do, want someone to do, daarna to voor een doel (I went out to buy eggs) en bijvoeglijk naamwoord + to (It’s easy to learn, I’m happy to help).
Na want (‘willen’), need (‘moeten’, ‘nodig hebben’) en would like (‘graag willen’) volgt to + het hele werkwoord: I want to buy a car. We need to clean the kitchen. I would like to have a coffee. Bij he, she en it komt er -s achter want en need: Tom wants to live here. De ontkenning en de vraagzin maak je met do of does: They don't want to go. Does she need to use the car? Bij would like staat would vóór het onderwerp: Would you like to see the film?
Let op: na ‘willen’ volgt in het Nederlands meteen het hele werkwoord (‘Ik wil eten’), maar in het Engels staat er to vóór: I want to eat, niet I want eat. ‘Ik wil’ is I want, niet I will.
Antwoord tonen I want ___ (buy) a new bike. to buyAntwoord tonen
Antwoord tonen Tom needs ___ (clean) his room. to cleanAntwoord tonen
Na enjoy (‘graag doen’, ‘genieten van’), finish (‘klaar zijn met’), stop (‘stoppen met’) en mind (‘erg vinden’) staat het werkwoord in de -ing-vorm: They finished cooking. I don't mind waiting. Met Do you mind + -ing vraag je beleefd om iets.
Meestal komt er -ing achter het werkwoord (cooking, cleaning, reading, opening); een -e aan het eind valt weg (dance → dancing), en bij swim wordt de m verdubbeld (swimming).
Let op: ‘klaar zijn met’ en ‘stoppen met’ + het hele werkwoord vertaal je met finish en stop + de -ing-vorm: ‘Tom is klaar met schrijven’ is Tom finished writing, niet Tom finished to write.
Antwoord tonen We enjoy ___ (cook) together at the weekend. cookingAntwoord tonen
Antwoord tonen Tom finished ___ (clean) the kitchen at six. cleaningAntwoord tonen
Na like (‘graag doen’), love (‘heel graag doen’) en hate (‘een hekel hebben aan’) zijn twee vormen mogelijk, met bijna dezelfde betekenis: de -ing-vorm (I like cooking.) of to + het hele werkwoord (I like to cook.). De ontkenning en de vraagzin maak je met do of does: Emma hates driving. I don't like talking. Does Paul love singing? De spelling is die van ‘enjoy, finish, don’t mind + -ing’: writing, riding, swimming, cleaning, playing, watching.
Let op: ‘graag’ vertaal je met like, ‘heel graag’ met love: ‘Hij danst heel graag’ is He loves dancing. Het hele werkwoord alleen is fout: niet Sam hates wait.
Antwoord tonen I like ___ (cook) for my friends. cookingook: to cookAntwoord tonen
Antwoord tonen My brother loves ___ (play) the guitar. playingook: to playAntwoord tonen
Na want, need, hope (‘hopen’), decide (‘besluiten’) en would like volgt to + het hele werkwoord: I want to play tennis. They hope to win. I need to buy a ticket. She hopes to visit Rome. Na enjoy en finish staat de -ing-vorm: I enjoy playing tennis. We finished eating at eight. Met like zeg je wat je in het algemeen graag doet (Tom likes staying in hotels), met would like wat je op een bepaald moment graag wilt (Tom would like to stay here).
Let op: ‘Ik zou graag gaan’ is I'd like to go, niet I'd like going.
Antwoord tonen My brother wants ___ (play) football today. to playAntwoord tonen
Antwoord tonen My brother enjoys ___ (play) football on Saturdays. playingAntwoord tonen
Na make en let volgt eerst een persoon (me, him, us) en dan het hele werkwoord, zonder to en zonder -ing. Met make zeg je dat iemand iets moet doen: This song makes me cry. The boss makes them work late. She makes her children read. Met let zeg je dat iemand iets mag doen: Dad lets us watch films. De ontkenning en de vraagzin maak je met do of does: My parents don't let me go to parties. Does she let you leave at four?
Let op: ‘laten’ is soms make en soms let. ‘Hij laat me wachten’ (ik moet) is He makes me wait, ‘Hij laat me rijden’ (ik mag) is He lets me drive. ‘Ze moest huilen van het nieuws’ is The news made her cry, niet made her crying. Na de persoon staat geen to: niet They let him to drive.
Antwoord tonen Sad films make me ___ (cry). cryAntwoord tonen
Antwoord tonen My teacher makes us ___ (read) every day. readAntwoord tonen
Als je wilt dat iemand anders iets doet, volgen na want en would like eerst de persoon en dan to + het hele werkwoord: I want you to help Tom. She wants us to tidy the kitchen. They want me to carry the bags. Dad doesn't want her to drive. In een vraagzin staat het vraagwoord vooraan: What do they want us to do? Do you want me to be there?
Let op: ‘Ik wil dat je komt’ is niet I want that you come, maar I want you to come. Na want staat me, him, us of them, niet I, he, we of they.
Antwoord tonen I want you ___ (help) me with my homework. to helpAntwoord tonen
Antwoord tonen My mother wants me ___ (tidy) my room. to tidyAntwoord tonen
Het doel van een handeling zeg je met to + het hele werkwoord: I went out to buy bread. I stayed at home to study. They went to the club to play tennis. I called Sam to invite him. We went to the cinema to see a comedy. Vóór een zelfstandig naamwoord gebruik je for: I went out for bread. Op Why…? kun je antwoorden met To + het hele werkwoord.
Let op: ‘om … te’ vertaal je met to + het hele werkwoord, niet met for buy of for to buy.
Antwoord tonen Anna went out ___ (buy) some eggs. to buyook: in order to buyAntwoord tonen
Antwoord tonen She goes to the library ___ (study). to studyook: in order to studyAntwoord tonen
Na It's + bijvoeglijk naamwoord (easy, difficult, important, safe, nice) en na happy, glad, sorry en ready volgt to + het hele werkwoord: It's easy to cook pasta. It's difficult to find a job. It's important to learn new words. I'm happy to help you. Are you ready to eat? I'm glad to see Tom. He was sorry to hear the news. how to + het hele werkwoord betekent ‘hoe je iets doet’.
Let op: ‘Het is leuk om te zwemmen’ is It's nice to swim, niet It's nice for to swim.
Antwoord tonen It's easy ___ (learn) English with films. to learnAntwoord tonen
Antwoord tonen It's difficult ___ (find) a flat in this city. to findAntwoord tonen
De werkwoordconstructies komen door elkaar: to + het hele werkwoord na want, need en would like, na een bijvoeglijk naamwoord en voor een doel (to visit, to call, to meet, to buy, to get); de -ing-vorm na enjoy, finish, stop en mind (working, studying, smoking); beide vormen na like, love en hate (riding of to ride); het hele werkwoord na make en let + persoon (go, use).
Antwoord tonen Our neighbour doesn't mind ___ (work) on Sundays. workingAntwoord tonen
Antwoord tonen I'd like ___ (visit) your house tomorrow. to visitAntwoord tonen
Maak een account aan om de rest te zien Heb je al een account? Log in.
Deze catalogus wordt beschermd door het databankenrecht (Europese richtlijn 96/9/EG): het is verboden er een substantieel deel van op te vragen of te hergebruiken. Juridische informatie