Engelse grammatica
Engelse grammatica. De complete gids van A1 tot C1: de regels, voorbeelden om te beluisteren en veelgemaakte fouten.
Lezen in: Български · Deutsch · Ελληνικά · Español · Français · Italiano · Polski · Português · Română · Türkçe · Українська
- 0 · Letters en klanken
- A1 · Beginner
- A2 · Elementair
- B1 binnenkort
- B2 binnenkort
- C1 binnenkort
0 · Letters en klanken
A1 · Beginner
De vormen van het werkwoord
- Het werkwoord be in de present simple
- De present simple
- De present continuous en de present simple
- De basisvormen: have, do, -s, -ing, -ed
- Graag doen: like + -ing
De zin: woordvolgorde, vragen, ontkenning en there is
- Vragen en woordvolgorde: do, does, did
- De eerste vragen: What’s your name? Where are you from?
- Twee zinnen verbinden: and, but, or, because
- Er is, er zijn: there is, there are
De verleden tijd
- Het werkwoord be in de verleden tijd: was, were
- De past simple van regelmatige werkwoorden: -ed
- Onregelmatige werkwoorden in de past simple
Over de toekomst praten
Can, de gebiedende wijs en voorstellen
- Kunnen: can, could
- Verzoeken: Can I…? Can you…?
- De gebiedende wijs en let’s
- Voorstellen: How about…? What about…?
Zelfstandige naamwoorden
- De lidwoorden en het meervoud: a, an, the
- Telbaar en ontelbaar: some, any, much, many
- Beleefde uitdrukkingen: I’d like, Would you like…?
- Geen: no milk, no time
- Een ander: another + zelfstandig naamwoord
Voornaamwoorden en bezit
- Persoonlijke voornaamwoorden: onderwerpsvorm en voorwerpsvorm
- Deze, dit, die, dat: this, that, these, those
- Bezittelijke voornaamwoorden: my, your, his, her
- De bezitter met ’s: Tom’s, my parents’
- Bezittelijke voornaamwoorden zonder zelfstandig naamwoord: mine, yours, theirs
- Hebben: have, has
- Bezit: have got
- Iemand, iets: someone, anything, nobody
Bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden
- Het bijvoeglijk naamwoord: vóór het zelfstandig naamwoord, na be
- De vergrotende en de overtreffende trap
- Herhaling vermijden: one, ones
- Bijwoorden van frequentie
- Heel, echt, vrij: very, really, quite
Voorzetsels van plaats en tijd
Getallen, de kloktijd en de datum
De verkorte vormen
A2 · Elementair
Het verleden en de present perfect
- De present perfect
- Onregelmatige voltooide deelwoorden
- De past continuous en de past simple
- Gewoonten in het verleden: used to
Over de toekomst praten
- De toekomst: will en going to
- De present continuous voor een afspraak
- De present simple voor een dienstregeling
Vragen, adviseren, verplichten, voorstellen
- Beleefd vragen: Could you…? Could I…?
- Advies geven: should
- De verplichting: have to, must
- Voorstellen: Shall I…? Shall we…? Why don’t we…?
Werkwoordconstructies
- Werkwoord + to of werkwoord + -ing
- Willen dat iemand iets doet: want someone to do
- Iemand iets laten doen: make, let + persoon + hele werkwoord
- Het doel: to + hele werkwoord
- Het is makkelijk om…, hoe je…: It’s easy to…, how to…
De lijdende vorm
De voorwaarde en de betrekkelijke bijzin
- Een reële voorwaarde: if + present simple
- De betrekkelijke bijzin: who, which, that
- Waar, toen in de betrekkelijke bijzin: where, when
Lidwoorden en hoeveelheden
Voornaamwoorden en verwijswoorden
- Wederkerende voornaamwoorden: myself, yourself
- Iets nieuws: something nice, nothing new
- Verwijzen naar wat voorafgaat: this, that, there, then
Bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden
- De vergrotende en de overtreffende trap: more, most, better
- Even … als: as … as
- Uitroepen: What a…! How…!
- Bijwoorden van wijze: quickly, well
- Bijvoeglijke naamwoorden op -ed en -ing: bored, boring
- Eruitzien, lijken: look, seem, sound + bijvoeglijk naamwoord
- Bijvoeglijke naamwoorden van een zelfstandig naamwoord: -y, -ful, -ous
Vragen
- Vragen met een vraagwoord in de verleden tijd en korte antwoorden
- Vragen naar het onderwerp: Who called?
- Van wie, welke: whose, which, how + bijvoeglijk naamwoord
- Het voorzetsel aan het eind van de vraag
Voorzetsels en woordvolgorde
- Voorzetsels van beweging: to, into, through, across
- De volgorde van de zinsdelen: plaats, tijd, frequentie
- Werkwoorden met twee voorwerpen: give me the book
- Bijvoeglijk naamwoord of werkwoord + voorzetsel: good at, wait for