Kardamone
Professeurs S’inscrire

afspelen

A2 Een ander werkwoord vervoegen →

hulpwerkwoord hebben

Aantonende wijs Indicatif

Onvoltooid tegenwoordige tijdPrésentA1

  • ik speel af
  • jij speelt af
  • u speelt af
  • hij/zij/het speelt af
  • wij spelen af
  • jullie spelen af
  • zij spelen af
Deze tijd oefenen

Voltooid tegenwoordige tijdPassé composéA1

  • ik heb afgespeeld
  • jij hebt afgespeeld
  • u hebt afgespeeld
  • hij/zij/het heeft afgespeeld
  • wij hebben afgespeeld
  • jullie hebben afgespeeld
  • zij hebben afgespeeld
Deze tijd oefenen

Onvoltooid verleden tijdPrétéritA2

  • ik speelde af
  • jij speelde af
  • u speelde af
  • hij/zij/het speelde af
  • wij speelden af
  • jullie speelden af
  • zij speelden af
Deze tijd oefenen

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur simpleA2

  • ik zal afspelen
  • jij zult afspelen
  • u zult afspelen
  • hij/zij/het zal afspelen
  • wij zullen afspelen
  • jullie zullen afspelen
  • zij zullen afspelen
Deze tijd oefenen

Voltooid verleden tijdPlus-que-parfaitB1

  • ik had afgespeeld
  • jij had afgespeeld
  • u had afgespeeld
  • hij/zij/het had afgespeeld
  • wij hadden afgespeeld
  • jullie hadden afgespeeld
  • zij hadden afgespeeld
Deze tijd oefenen

Voltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur antérieurB2

  • ik zal afgespeeld hebben / zal hebben afgespeeld
  • jij zult afgespeeld hebben / zult hebben afgespeeld
  • u zult afgespeeld hebben / zult hebben afgespeeld
  • hij/zij/het zal afgespeeld hebben / zal hebben afgespeeld
  • wij zullen afgespeeld hebben / zullen hebben afgespeeld
  • jullie zullen afgespeeld hebben / zullen hebben afgespeeld
  • zij zullen afgespeeld hebben / zullen hebben afgespeeld
Deze tijd oefenen

In de grammaticagids: Onvoltooid tegenwoordige tijd · Voltooid tegenwoordige tijd

Voorwaardelijke wijs Conditionnel

Onvoltooid verleden toekomende tijdConditionnel présentB1

  • ik zou afspelen
  • jij zou afspelen
  • u zou afspelen
  • hij/zij/het zou afspelen
  • wij zouden afspelen
  • jullie zouden afspelen
  • zij zouden afspelen
Deze tijd oefenen

Voltooid verleden toekomende tijdConditionnel passéB2

  • ik zou afgespeeld hebben / zou hebben afgespeeld
  • jij zou afgespeeld hebben / zou hebben afgespeeld
  • u zou afgespeeld hebben / zou hebben afgespeeld
  • hij/zij/het zou afgespeeld hebben / zou hebben afgespeeld
  • wij zouden afgespeeld hebben / zouden hebben afgespeeld
  • jullie zouden afgespeeld hebben / zouden hebben afgespeeld
  • zij zouden afgespeeld hebben / zouden hebben afgespeeld
Deze tijd oefenen

Gebiedende wijs Impératif

Gebiedende wijsImpératifA1

  • (jij) speel af
  • speelt u af
Deze tijd oefenen

In de grammaticagids: Gebiedende wijs

Infinitief en deelwoord Formes impersonnelles

InfinitiefInfinitifA1

  • afspelen

Voltooid deelwoordParticipe passéA1

  • afgespeeld

In de grammaticagids: Voltooid deelwoord

spellingswijziging