Kardamone
Professeurs S’inscrire

dragen

A1 Een ander werkwoord vervoegen →

Onregelmatig werkwoord · hulpwerkwoord hebben

Aantonende wijs Indicatif

Onvoltooid tegenwoordige tijdPrésentA1

  • ik draag
  • jij draagt
  • u draagt
  • hij/zij/het draagt
  • wij dragen
  • jullie dragen
  • zij dragen
Deze tijd oefenen

Voltooid tegenwoordige tijdPassé composéA1

  • ik heb gedragen
  • jij hebt gedragen
  • u hebt gedragen
  • hij/zij/het heeft gedragen
  • wij hebben gedragen
  • jullie hebben gedragen
  • zij hebben gedragen
Deze tijd oefenen

Onvoltooid verleden tijdPrétéritA2

  • ik droeg
  • jij droeg
  • u droeg
  • hij/zij/het droeg
  • wij droegen
  • jullie droegen
  • zij droegen
Deze tijd oefenen

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur simpleA2

  • ik zal dragen
  • jij zult dragen
  • u zult dragen
  • hij/zij/het zal dragen
  • wij zullen dragen
  • jullie zullen dragen
  • zij zullen dragen
Deze tijd oefenen

Voltooid verleden tijdPlus-que-parfaitB1

  • ik had gedragen
  • jij had gedragen
  • u had gedragen
  • hij/zij/het had gedragen
  • wij hadden gedragen
  • jullie hadden gedragen
  • zij hadden gedragen
Deze tijd oefenen

Voltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur antérieurB2

  • ik zal gedragen hebben / zal hebben gedragen
  • jij zult gedragen hebben / zult hebben gedragen
  • u zult gedragen hebben / zult hebben gedragen
  • hij/zij/het zal gedragen hebben / zal hebben gedragen
  • wij zullen gedragen hebben / zullen hebben gedragen
  • jullie zullen gedragen hebben / zullen hebben gedragen
  • zij zullen gedragen hebben / zullen hebben gedragen
Deze tijd oefenen

In de grammaticagids: Onvoltooid tegenwoordige tijd · Voltooid tegenwoordige tijd

Voorwaardelijke wijs Conditionnel

Onvoltooid verleden toekomende tijdConditionnel présentB1

  • ik zou dragen
  • jij zou dragen
  • u zou dragen
  • hij/zij/het zou dragen
  • wij zouden dragen
  • jullie zouden dragen
  • zij zouden dragen
Deze tijd oefenen

Voltooid verleden toekomende tijdConditionnel passéB2

  • ik zou gedragen hebben / zou hebben gedragen
  • jij zou gedragen hebben / zou hebben gedragen
  • u zou gedragen hebben / zou hebben gedragen
  • hij/zij/het zou gedragen hebben / zou hebben gedragen
  • wij zouden gedragen hebben / zouden hebben gedragen
  • jullie zouden gedragen hebben / zouden hebben gedragen
  • zij zouden gedragen hebben / zouden hebben gedragen
Deze tijd oefenen

Gebiedende wijs Impératif

Gebiedende wijsImpératifA1

  • (jij) draag
  • draagt u
Deze tijd oefenen

In de grammaticagids: Gebiedende wijs

Infinitief en deelwoord Formes impersonnelles

InfinitiefInfinitifA1

  • dragen

Voltooid deelwoordParticipe passéA1

  • gedragen

In de grammaticagids: Voltooid deelwoord

onregelmatige vorm · spellingswijziging