Kardamone
Professeurs S’inscrire

drinken

A1 Een ander werkwoord vervoegen →

Onregelmatig werkwoord · hulpwerkwoord hebben

Aantonende wijs Indicatif

Onvoltooid tegenwoordige tijdPrésentA1

  • ik drink
  • jij drinkt
  • u drinkt
  • hij/zij/het drinkt
  • wij drinken
  • jullie drinken
  • zij drinken
Deze tijd oefenen

Voltooid tegenwoordige tijdPassé composéA1

  • ik heb gedronken
  • jij hebt gedronken
  • u hebt gedronken
  • hij/zij/het heeft gedronken
  • wij hebben gedronken
  • jullie hebben gedronken
  • zij hebben gedronken
Deze tijd oefenen

Onvoltooid verleden tijdPrétéritA2

  • ik dronk
  • jij dronk
  • u dronk
  • hij/zij/het dronk
  • wij dronken
  • jullie dronken
  • zij dronken
Deze tijd oefenen

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur simpleA2

  • ik zal drinken
  • jij zult drinken
  • u zult drinken
  • hij/zij/het zal drinken
  • wij zullen drinken
  • jullie zullen drinken
  • zij zullen drinken
Deze tijd oefenen

Voltooid verleden tijdPlus-que-parfaitB1

  • ik had gedronken
  • jij had gedronken
  • u had gedronken
  • hij/zij/het had gedronken
  • wij hadden gedronken
  • jullie hadden gedronken
  • zij hadden gedronken
Deze tijd oefenen

Voltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur antérieurB2

  • ik zal gedronken hebben / zal hebben gedronken
  • jij zult gedronken hebben / zult hebben gedronken
  • u zult gedronken hebben / zult hebben gedronken
  • hij/zij/het zal gedronken hebben / zal hebben gedronken
  • wij zullen gedronken hebben / zullen hebben gedronken
  • jullie zullen gedronken hebben / zullen hebben gedronken
  • zij zullen gedronken hebben / zullen hebben gedronken
Deze tijd oefenen

In de grammaticagids: Onvoltooid tegenwoordige tijd · Voltooid tegenwoordige tijd

Voorwaardelijke wijs Conditionnel

Onvoltooid verleden toekomende tijdConditionnel présentB1

  • ik zou drinken
  • jij zou drinken
  • u zou drinken
  • hij/zij/het zou drinken
  • wij zouden drinken
  • jullie zouden drinken
  • zij zouden drinken
Deze tijd oefenen

Voltooid verleden toekomende tijdConditionnel passéB2

  • ik zou gedronken hebben / zou hebben gedronken
  • jij zou gedronken hebben / zou hebben gedronken
  • u zou gedronken hebben / zou hebben gedronken
  • hij/zij/het zou gedronken hebben / zou hebben gedronken
  • wij zouden gedronken hebben / zouden hebben gedronken
  • jullie zouden gedronken hebben / zouden hebben gedronken
  • zij zouden gedronken hebben / zouden hebben gedronken
Deze tijd oefenen

Gebiedende wijs Impératif

Gebiedende wijsImpératifA1

  • (jij) drink
  • drinkt u
Deze tijd oefenen

In de grammaticagids: Gebiedende wijs

Infinitief en deelwoord Formes impersonnelles

InfinitiefInfinitifA1

  • drinken

Voltooid deelwoordParticipe passéA1

  • gedronken

In de grammaticagids: Voltooid deelwoord

onregelmatige vorm