Kardamone
Professeurs S’inscrire

eten

A1 Een ander werkwoord vervoegen →

Onregelmatig werkwoord · hulpwerkwoord hebben

Aantonende wijs Indicatif

Onvoltooid tegenwoordige tijdPrésentA1

  • ik eet
  • jij eet
  • u eet
  • hij/zij/het eet
  • wij eten
  • jullie eten
  • zij eten
Deze tijd oefenen

Voltooid tegenwoordige tijdPassé composéA1

  • ik heb gegeten
  • jij hebt gegeten
  • u hebt gegeten
  • hij/zij/het heeft gegeten
  • wij hebben gegeten
  • jullie hebben gegeten
  • zij hebben gegeten
Deze tijd oefenen

Onvoltooid verleden tijdPrétéritA2

  • ik at
  • jij at
  • u at
  • hij/zij/het at
  • wij aten
  • jullie aten
  • zij aten
Deze tijd oefenen

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur simpleA2

  • ik zal eten
  • jij zult eten
  • u zult eten
  • hij/zij/het zal eten
  • wij zullen eten
  • jullie zullen eten
  • zij zullen eten
Deze tijd oefenen

Voltooid verleden tijdPlus-que-parfaitB1

  • ik had gegeten
  • jij had gegeten
  • u had gegeten
  • hij/zij/het had gegeten
  • wij hadden gegeten
  • jullie hadden gegeten
  • zij hadden gegeten
Deze tijd oefenen

Voltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur antérieurB2

  • ik zal gegeten hebben / zal hebben gegeten
  • jij zult gegeten hebben / zult hebben gegeten
  • u zult gegeten hebben / zult hebben gegeten
  • hij/zij/het zal gegeten hebben / zal hebben gegeten
  • wij zullen gegeten hebben / zullen hebben gegeten
  • jullie zullen gegeten hebben / zullen hebben gegeten
  • zij zullen gegeten hebben / zullen hebben gegeten
Deze tijd oefenen

In de grammaticagids: Onvoltooid tegenwoordige tijd · Voltooid tegenwoordige tijd

Voorwaardelijke wijs Conditionnel

Onvoltooid verleden toekomende tijdConditionnel présentB1

  • ik zou eten
  • jij zou eten
  • u zou eten
  • hij/zij/het zou eten
  • wij zouden eten
  • jullie zouden eten
  • zij zouden eten
Deze tijd oefenen

Voltooid verleden toekomende tijdConditionnel passéB2

  • ik zou gegeten hebben / zou hebben gegeten
  • jij zou gegeten hebben / zou hebben gegeten
  • u zou gegeten hebben / zou hebben gegeten
  • hij/zij/het zou gegeten hebben / zou hebben gegeten
  • wij zouden gegeten hebben / zouden hebben gegeten
  • jullie zouden gegeten hebben / zouden hebben gegeten
  • zij zouden gegeten hebben / zouden hebben gegeten
Deze tijd oefenen

Gebiedende wijs Impératif

Gebiedende wijsImpératifA1

  • (jij) eet
  • eet u
Deze tijd oefenen

In de grammaticagids: Gebiedende wijs

Infinitief en deelwoord Formes impersonnelles

InfinitiefInfinitifA1

  • eten

Voltooid deelwoordParticipe passéA1

  • gegeten

In de grammaticagids: Voltooid deelwoord

onregelmatige vorm · spellingswijziging