Kardamone
Professeurs S’inscrire

gaan

A1 Een ander werkwoord vervoegen →

Onregelmatig werkwoord · hulpwerkwoord zijn

Aantonende wijs Indicatif

Onvoltooid tegenwoordige tijdPrésentA1

  • ik ga
  • jij gaat
  • u gaat
  • hij/zij/het gaat
  • wij gaan
  • jullie gaan
  • zij gaan
Deze tijd oefenen

Voltooid tegenwoordige tijdPassé composéA1

  • ik ben gegaan
  • jij bent gegaan
  • u bent gegaan
  • hij/zij/het is gegaan
  • wij zijn gegaan
  • jullie zijn gegaan
  • zij zijn gegaan
Deze tijd oefenen

Onvoltooid verleden tijdPrétéritA2

  • ik ging
  • jij ging
  • u ging
  • hij/zij/het ging
  • wij gingen
  • jullie gingen
  • zij gingen
Deze tijd oefenen

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur simpleA2

  • ik zal gaan
  • jij zult gaan
  • u zult gaan
  • hij/zij/het zal gaan
  • wij zullen gaan
  • jullie zullen gaan
  • zij zullen gaan
Deze tijd oefenen

Voltooid verleden tijdPlus-que-parfaitB1

  • ik was gegaan
  • jij was gegaan
  • u was gegaan
  • hij/zij/het was gegaan
  • wij waren gegaan
  • jullie waren gegaan
  • zij waren gegaan
Deze tijd oefenen

Voltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur antérieurB2

  • ik zal gegaan zijn / zal zijn gegaan
  • jij zult gegaan zijn / zult zijn gegaan
  • u zult gegaan zijn / zult zijn gegaan
  • hij/zij/het zal gegaan zijn / zal zijn gegaan
  • wij zullen gegaan zijn / zullen zijn gegaan
  • jullie zullen gegaan zijn / zullen zijn gegaan
  • zij zullen gegaan zijn / zullen zijn gegaan
Deze tijd oefenen

In de grammaticagids: Onvoltooid tegenwoordige tijd · Voltooid tegenwoordige tijd

Voorwaardelijke wijs Conditionnel

Onvoltooid verleden toekomende tijdConditionnel présentB1

  • ik zou gaan
  • jij zou gaan
  • u zou gaan
  • hij/zij/het zou gaan
  • wij zouden gaan
  • jullie zouden gaan
  • zij zouden gaan
Deze tijd oefenen

Voltooid verleden toekomende tijdConditionnel passéB2

  • ik zou gegaan zijn / zou zijn gegaan
  • jij zou gegaan zijn / zou zijn gegaan
  • u zou gegaan zijn / zou zijn gegaan
  • hij/zij/het zou gegaan zijn / zou zijn gegaan
  • wij zouden gegaan zijn / zouden zijn gegaan
  • jullie zouden gegaan zijn / zouden zijn gegaan
  • zij zouden gegaan zijn / zouden zijn gegaan
Deze tijd oefenen

Gebiedende wijs Impératif

Gebiedende wijsImpératifA1

  • (jij) ga
  • gaat u
Deze tijd oefenen

In de grammaticagids: Gebiedende wijs

Infinitief en deelwoord Formes impersonnelles

InfinitiefInfinitifA1

  • gaan

Voltooid deelwoordParticipe passéA1

  • gegaan

In de grammaticagids: Voltooid deelwoord

onregelmatige vorm