Kardamone
Professeurs S’inscrire

heten

A1 Een ander werkwoord vervoegen →

Onregelmatig werkwoord · hulpwerkwoord hebben

Aantonende wijs Indicatif

Onvoltooid tegenwoordige tijdPrésentA1

  • ik heet
  • jij heet
  • u heet
  • hij/zij/het heet
  • wij heten
  • jullie heten
  • zij heten
Deze tijd oefenen

Voltooid tegenwoordige tijdPassé composéA1

  • ik heb geheten
  • jij hebt geheten
  • u hebt geheten
  • hij/zij/het heeft geheten
  • wij hebben geheten
  • jullie hebben geheten
  • zij hebben geheten
Deze tijd oefenen

Onvoltooid verleden tijdPrétéritA2

  • ik heette
  • jij heette
  • u heette
  • hij/zij/het heette
  • wij heetten
  • jullie heetten
  • zij heetten
Deze tijd oefenen

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur simpleA2

  • ik zal heten
  • jij zult heten
  • u zult heten
  • hij/zij/het zal heten
  • wij zullen heten
  • jullie zullen heten
  • zij zullen heten
Deze tijd oefenen

Voltooid verleden tijdPlus-que-parfaitB1

  • ik had geheten
  • jij had geheten
  • u had geheten
  • hij/zij/het had geheten
  • wij hadden geheten
  • jullie hadden geheten
  • zij hadden geheten
Deze tijd oefenen

Voltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur antérieurB2

  • ik zal geheten hebben / zal hebben geheten
  • jij zult geheten hebben / zult hebben geheten
  • u zult geheten hebben / zult hebben geheten
  • hij/zij/het zal geheten hebben / zal hebben geheten
  • wij zullen geheten hebben / zullen hebben geheten
  • jullie zullen geheten hebben / zullen hebben geheten
  • zij zullen geheten hebben / zullen hebben geheten
Deze tijd oefenen

In de grammaticagids: Onvoltooid tegenwoordige tijd · Voltooid tegenwoordige tijd

Voorwaardelijke wijs Conditionnel

Onvoltooid verleden toekomende tijdConditionnel présentB1

  • ik zou heten
  • jij zou heten
  • u zou heten
  • hij/zij/het zou heten
  • wij zouden heten
  • jullie zouden heten
  • zij zouden heten
Deze tijd oefenen

Voltooid verleden toekomende tijdConditionnel passéB2

  • ik zou geheten hebben / zou hebben geheten
  • jij zou geheten hebben / zou hebben geheten
  • u zou geheten hebben / zou hebben geheten
  • hij/zij/het zou geheten hebben / zou hebben geheten
  • wij zouden geheten hebben / zouden hebben geheten
  • jullie zouden geheten hebben / zouden hebben geheten
  • zij zouden geheten hebben / zouden hebben geheten
Deze tijd oefenen

Infinitief en deelwoord Formes impersonnelles

InfinitiefInfinitifA1

  • heten

Voltooid deelwoordParticipe passéA1

  • geheten

In de grammaticagids: Voltooid deelwoord

onregelmatige vorm · spellingswijziging