klimmen
A2 Een ander werkwoord vervoegen →Onregelmatig werkwoord · hulpwerkwoord hebben
Aantonende wijs Indicatif
Onvoltooid tegenwoordige tijdPrésentA1
- ik klim
- jij klimt
- u klimt
- hij/zij/het klimt
- wij klimmen
- jullie klimmen
- zij klimmen
Voltooid tegenwoordige tijdPassé composéA1
- ik heb geklommen / ben geklommen
- jij hebt geklommen / bent geklommen
- u hebt geklommen / bent geklommen
- hij/zij/het heeft geklommen / is geklommen
- wij hebben geklommen / zijn geklommen
- jullie hebben geklommen / zijn geklommen
- zij hebben geklommen / zijn geklommen
Onvoltooid verleden tijdPrétéritA2
- ik klom
- jij klom
- u klom
- hij/zij/het klom
- wij klommen
- jullie klommen
- zij klommen
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur simpleA2
- ik zal klimmen
- jij zult klimmen
- u zult klimmen
- hij/zij/het zal klimmen
- wij zullen klimmen
- jullie zullen klimmen
- zij zullen klimmen
Voltooid verleden tijdPlus-que-parfaitB1
- ik had geklommen / was geklommen
- jij had geklommen / was geklommen
- u had geklommen / was geklommen
- hij/zij/het had geklommen / was geklommen
- wij hadden geklommen / waren geklommen
- jullie hadden geklommen / waren geklommen
- zij hadden geklommen / waren geklommen
Voltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur antérieurB2
- ik zal geklommen hebben / zal geklommen zijn / zal hebben geklommen
- jij zult geklommen hebben / zult geklommen zijn / zult hebben geklommen
- u zult geklommen hebben / zult geklommen zijn / zult hebben geklommen
- hij/zij/het zal geklommen hebben / zal geklommen zijn / zal hebben geklommen
- wij zullen geklommen hebben / zullen geklommen zijn / zullen hebben geklommen
- jullie zullen geklommen hebben / zullen geklommen zijn / zullen hebben geklommen
- zij zullen geklommen hebben / zullen geklommen zijn / zullen hebben geklommen
In de grammaticagids: Onvoltooid tegenwoordige tijd · Voltooid tegenwoordige tijd
Voorwaardelijke wijs Conditionnel
Onvoltooid verleden toekomende tijdConditionnel présentB1
- ik zou klimmen
- jij zou klimmen
- u zou klimmen
- hij/zij/het zou klimmen
- wij zouden klimmen
- jullie zouden klimmen
- zij zouden klimmen
Voltooid verleden toekomende tijdConditionnel passéB2
- ik zou geklommen hebben / zou geklommen zijn / zou hebben geklommen
- jij zou geklommen hebben / zou geklommen zijn / zou hebben geklommen
- u zou geklommen hebben / zou geklommen zijn / zou hebben geklommen
- hij/zij/het zou geklommen hebben / zou geklommen zijn / zou hebben geklommen
- wij zouden geklommen hebben / zouden geklommen zijn / zouden hebben geklommen
- jullie zouden geklommen hebben / zouden geklommen zijn / zouden hebben geklommen
- zij zouden geklommen hebben / zouden geklommen zijn / zouden hebben geklommen
Gebiedende wijs Impératif
In de grammaticagids: Gebiedende wijs
Infinitief en deelwoord Formes impersonnelles
InfinitiefInfinitifA1
- klimmen
Voltooid deelwoordParticipe passéA1
- geklommen
In de grammaticagids: Voltooid deelwoord
onregelmatige vorm · spellingswijziging