Kardamone
Professeurs S’inscrire

opbellen

A2 Een ander werkwoord vervoegen →

hulpwerkwoord hebben

Aantonende wijs Indicatif

Onvoltooid tegenwoordige tijdPrésentA1

  • ik bel op
  • jij belt op
  • u belt op
  • hij/zij/het belt op
  • wij bellen op
  • jullie bellen op
  • zij bellen op
Deze tijd oefenen

Voltooid tegenwoordige tijdPassé composéA1

  • ik heb opgebeld
  • jij hebt opgebeld
  • u hebt opgebeld
  • hij/zij/het heeft opgebeld
  • wij hebben opgebeld
  • jullie hebben opgebeld
  • zij hebben opgebeld
Deze tijd oefenen

Onvoltooid verleden tijdPrétéritA2

  • ik belde op
  • jij belde op
  • u belde op
  • hij/zij/het belde op
  • wij belden op
  • jullie belden op
  • zij belden op
Deze tijd oefenen

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur simpleA2

  • ik zal opbellen
  • jij zult opbellen
  • u zult opbellen
  • hij/zij/het zal opbellen
  • wij zullen opbellen
  • jullie zullen opbellen
  • zij zullen opbellen
Deze tijd oefenen

Voltooid verleden tijdPlus-que-parfaitB1

  • ik had opgebeld
  • jij had opgebeld
  • u had opgebeld
  • hij/zij/het had opgebeld
  • wij hadden opgebeld
  • jullie hadden opgebeld
  • zij hadden opgebeld
Deze tijd oefenen

Voltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur antérieurB2

  • ik zal opgebeld hebben / zal hebben opgebeld
  • jij zult opgebeld hebben / zult hebben opgebeld
  • u zult opgebeld hebben / zult hebben opgebeld
  • hij/zij/het zal opgebeld hebben / zal hebben opgebeld
  • wij zullen opgebeld hebben / zullen hebben opgebeld
  • jullie zullen opgebeld hebben / zullen hebben opgebeld
  • zij zullen opgebeld hebben / zullen hebben opgebeld
Deze tijd oefenen

In de grammaticagids: Onvoltooid tegenwoordige tijd · Voltooid tegenwoordige tijd

Voorwaardelijke wijs Conditionnel

Onvoltooid verleden toekomende tijdConditionnel présentB1

  • ik zou opbellen
  • jij zou opbellen
  • u zou opbellen
  • hij/zij/het zou opbellen
  • wij zouden opbellen
  • jullie zouden opbellen
  • zij zouden opbellen
Deze tijd oefenen

Voltooid verleden toekomende tijdConditionnel passéB2

  • ik zou opgebeld hebben / zou hebben opgebeld
  • jij zou opgebeld hebben / zou hebben opgebeld
  • u zou opgebeld hebben / zou hebben opgebeld
  • hij/zij/het zou opgebeld hebben / zou hebben opgebeld
  • wij zouden opgebeld hebben / zouden hebben opgebeld
  • jullie zouden opgebeld hebben / zouden hebben opgebeld
  • zij zouden opgebeld hebben / zouden hebben opgebeld
Deze tijd oefenen

Gebiedende wijs Impératif

Gebiedende wijsImpératifA1

  • (jij) bel op
  • belt u op
Deze tijd oefenen

In de grammaticagids: Gebiedende wijs

Infinitief en deelwoord Formes impersonnelles

InfinitiefInfinitifA1

  • opbellen

Voltooid deelwoordParticipe passéA1

  • opgebeld

In de grammaticagids: Voltooid deelwoord

spellingswijziging