paardrijden
A2 Een ander werkwoord vervoegen →Onregelmatig werkwoord · hulpwerkwoord hebben · vervoegd als rijden
Aantonende wijs Indicatif
Onvoltooid tegenwoordige tijdPrésentA1
- ik rijd paard
- jij rijdt paard
- u rijdt paard
- hij/zij/het rijdt paard
- wij rijden paard
- jullie rijden paard
- zij rijden paard
Voltooid tegenwoordige tijdPassé composéA1
- ik heb paardgereden
- jij hebt paardgereden
- u hebt paardgereden
- hij/zij/het heeft paardgereden
- wij hebben paardgereden
- jullie hebben paardgereden
- zij hebben paardgereden
Onvoltooid verleden tijdPrétéritA2
- ik reed paard
- jij reed paard
- u reed paard
- hij/zij/het reed paard
- wij reden paard
- jullie reden paard
- zij reden paard
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur simpleA2
- ik zal paardrijden
- jij zult paardrijden
- u zult paardrijden
- hij/zij/het zal paardrijden
- wij zullen paardrijden
- jullie zullen paardrijden
- zij zullen paardrijden
Voltooid verleden tijdPlus-que-parfaitB1
- ik had paardgereden
- jij had paardgereden
- u had paardgereden
- hij/zij/het had paardgereden
- wij hadden paardgereden
- jullie hadden paardgereden
- zij hadden paardgereden
Voltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur antérieurB2
- ik zal paardgereden hebben / zal hebben paardgereden
- jij zult paardgereden hebben / zult hebben paardgereden
- u zult paardgereden hebben / zult hebben paardgereden
- hij/zij/het zal paardgereden hebben / zal hebben paardgereden
- wij zullen paardgereden hebben / zullen hebben paardgereden
- jullie zullen paardgereden hebben / zullen hebben paardgereden
- zij zullen paardgereden hebben / zullen hebben paardgereden
In de grammaticagids: Onvoltooid tegenwoordige tijd · Voltooid tegenwoordige tijd
Voorwaardelijke wijs Conditionnel
Onvoltooid verleden toekomende tijdConditionnel présentB1
- ik zou paardrijden
- jij zou paardrijden
- u zou paardrijden
- hij/zij/het zou paardrijden
- wij zouden paardrijden
- jullie zouden paardrijden
- zij zouden paardrijden
Voltooid verleden toekomende tijdConditionnel passéB2
- ik zou paardgereden hebben / zou hebben paardgereden
- jij zou paardgereden hebben / zou hebben paardgereden
- u zou paardgereden hebben / zou hebben paardgereden
- hij/zij/het zou paardgereden hebben / zou hebben paardgereden
- wij zouden paardgereden hebben / zouden hebben paardgereden
- jullie zouden paardgereden hebben / zouden hebben paardgereden
- zij zouden paardgereden hebben / zouden hebben paardgereden
Gebiedende wijs Impératif
In de grammaticagids: Gebiedende wijs
Infinitief en deelwoord Formes impersonnelles
InfinitiefInfinitifA1
- paardrijden
Voltooid deelwoordParticipe passéA1
- paardgereden
In de grammaticagids: Voltooid deelwoord
onregelmatige vorm