Kardamone
Professeurs S’inscrire

slaan

A2 Een ander werkwoord vervoegen →

Onregelmatig werkwoord · hulpwerkwoord hebben

Aantonende wijs Indicatif

Onvoltooid tegenwoordige tijdPrésentA1

  • ik sla
  • jij slaat
  • u slaat
  • hij/zij/het slaat
  • wij slaan
  • jullie slaan
  • zij slaan
Deze tijd oefenen

Voltooid tegenwoordige tijdPassé composéA1

  • ik heb geslagen
  • jij hebt geslagen
  • u hebt geslagen
  • hij/zij/het heeft geslagen
  • wij hebben geslagen
  • jullie hebben geslagen
  • zij hebben geslagen
Deze tijd oefenen

Onvoltooid verleden tijdPrétéritA2

  • ik sloeg
  • jij sloeg
  • u sloeg
  • hij/zij/het sloeg
  • wij sloegen
  • jullie sloegen
  • zij sloegen
Deze tijd oefenen

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur simpleA2

  • ik zal slaan
  • jij zult slaan
  • u zult slaan
  • hij/zij/het zal slaan
  • wij zullen slaan
  • jullie zullen slaan
  • zij zullen slaan
Deze tijd oefenen

Voltooid verleden tijdPlus-que-parfaitB1

  • ik had geslagen
  • jij had geslagen
  • u had geslagen
  • hij/zij/het had geslagen
  • wij hadden geslagen
  • jullie hadden geslagen
  • zij hadden geslagen
Deze tijd oefenen

Voltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur antérieurB2

  • ik zal geslagen hebben / zal hebben geslagen
  • jij zult geslagen hebben / zult hebben geslagen
  • u zult geslagen hebben / zult hebben geslagen
  • hij/zij/het zal geslagen hebben / zal hebben geslagen
  • wij zullen geslagen hebben / zullen hebben geslagen
  • jullie zullen geslagen hebben / zullen hebben geslagen
  • zij zullen geslagen hebben / zullen hebben geslagen
Deze tijd oefenen

In de grammaticagids: Onvoltooid tegenwoordige tijd · Voltooid tegenwoordige tijd

Voorwaardelijke wijs Conditionnel

Onvoltooid verleden toekomende tijdConditionnel présentB1

  • ik zou slaan
  • jij zou slaan
  • u zou slaan
  • hij/zij/het zou slaan
  • wij zouden slaan
  • jullie zouden slaan
  • zij zouden slaan
Deze tijd oefenen

Voltooid verleden toekomende tijdConditionnel passéB2

  • ik zou geslagen hebben / zou hebben geslagen
  • jij zou geslagen hebben / zou hebben geslagen
  • u zou geslagen hebben / zou hebben geslagen
  • hij/zij/het zou geslagen hebben / zou hebben geslagen
  • wij zouden geslagen hebben / zouden hebben geslagen
  • jullie zouden geslagen hebben / zouden hebben geslagen
  • zij zouden geslagen hebben / zouden hebben geslagen
Deze tijd oefenen

Gebiedende wijs Impératif

Gebiedende wijsImpératifA1

  • (jij) sla
  • slaat u
Deze tijd oefenen

In de grammaticagids: Gebiedende wijs

Infinitief en deelwoord Formes impersonnelles

InfinitiefInfinitifA1

  • slaan

Voltooid deelwoordParticipe passéA1

  • geslagen

In de grammaticagids: Voltooid deelwoord

onregelmatige vorm