slapen
A1 Een ander werkwoord vervoegen →Onregelmatig werkwoord · hulpwerkwoord hebben
Aantonende wijs Indicatif
Onvoltooid tegenwoordige tijdPrésentA1
- ik slaap
- jij slaapt
- u slaapt
- hij/zij/het slaapt
- wij slapen
- jullie slapen
- zij slapen
Voltooid tegenwoordige tijdPassé composéA1
- ik heb geslapen
- jij hebt geslapen
- u hebt geslapen
- hij/zij/het heeft geslapen
- wij hebben geslapen
- jullie hebben geslapen
- zij hebben geslapen
Onvoltooid verleden tijdPrétéritA2
- ik sliep
- jij sliep
- u sliep
- hij/zij/het sliep
- wij sliepen
- jullie sliepen
- zij sliepen
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur simpleA2
- ik zal slapen
- jij zult slapen
- u zult slapen
- hij/zij/het zal slapen
- wij zullen slapen
- jullie zullen slapen
- zij zullen slapen
Voltooid verleden tijdPlus-que-parfaitB1
- ik had geslapen
- jij had geslapen
- u had geslapen
- hij/zij/het had geslapen
- wij hadden geslapen
- jullie hadden geslapen
- zij hadden geslapen
Voltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur antérieurB2
- ik zal geslapen hebben / zal hebben geslapen
- jij zult geslapen hebben / zult hebben geslapen
- u zult geslapen hebben / zult hebben geslapen
- hij/zij/het zal geslapen hebben / zal hebben geslapen
- wij zullen geslapen hebben / zullen hebben geslapen
- jullie zullen geslapen hebben / zullen hebben geslapen
- zij zullen geslapen hebben / zullen hebben geslapen
In de grammaticagids: Onvoltooid tegenwoordige tijd · Voltooid tegenwoordige tijd
Voorwaardelijke wijs Conditionnel
Onvoltooid verleden toekomende tijdConditionnel présentB1
- ik zou slapen
- jij zou slapen
- u zou slapen
- hij/zij/het zou slapen
- wij zouden slapen
- jullie zouden slapen
- zij zouden slapen
Voltooid verleden toekomende tijdConditionnel passéB2
- ik zou geslapen hebben / zou hebben geslapen
- jij zou geslapen hebben / zou hebben geslapen
- u zou geslapen hebben / zou hebben geslapen
- hij/zij/het zou geslapen hebben / zou hebben geslapen
- wij zouden geslapen hebben / zouden hebben geslapen
- jullie zouden geslapen hebben / zouden hebben geslapen
- zij zouden geslapen hebben / zouden hebben geslapen
Gebiedende wijs Impératif
In de grammaticagids: Gebiedende wijs
Infinitief en deelwoord Formes impersonnelles
InfinitiefInfinitifA1
- slapen
Voltooid deelwoordParticipe passéA1
- geslapen
In de grammaticagids: Voltooid deelwoord
onregelmatige vorm · spellingswijziging