Kardamone
Professeurs S’inscrire

spreken

A1 Een ander werkwoord vervoegen →

Onregelmatig werkwoord · hulpwerkwoord hebben

Aantonende wijs Indicatif

Onvoltooid tegenwoordige tijdPrésentA1

  • ik spreek
  • jij spreekt
  • u spreekt
  • hij/zij/het spreekt
  • wij spreken
  • jullie spreken
  • zij spreken
Deze tijd oefenen

Voltooid tegenwoordige tijdPassé composéA1

  • ik heb gesproken
  • jij hebt gesproken
  • u hebt gesproken
  • hij/zij/het heeft gesproken
  • wij hebben gesproken
  • jullie hebben gesproken
  • zij hebben gesproken
Deze tijd oefenen

Onvoltooid verleden tijdPrétéritA2

  • ik sprak
  • jij sprak
  • u sprak
  • hij/zij/het sprak
  • wij spraken
  • jullie spraken
  • zij spraken
Deze tijd oefenen

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur simpleA2

  • ik zal spreken
  • jij zult spreken
  • u zult spreken
  • hij/zij/het zal spreken
  • wij zullen spreken
  • jullie zullen spreken
  • zij zullen spreken
Deze tijd oefenen

Voltooid verleden tijdPlus-que-parfaitB1

  • ik had gesproken
  • jij had gesproken
  • u had gesproken
  • hij/zij/het had gesproken
  • wij hadden gesproken
  • jullie hadden gesproken
  • zij hadden gesproken
Deze tijd oefenen

Voltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur antérieurB2

  • ik zal gesproken hebben / zal hebben gesproken
  • jij zult gesproken hebben / zult hebben gesproken
  • u zult gesproken hebben / zult hebben gesproken
  • hij/zij/het zal gesproken hebben / zal hebben gesproken
  • wij zullen gesproken hebben / zullen hebben gesproken
  • jullie zullen gesproken hebben / zullen hebben gesproken
  • zij zullen gesproken hebben / zullen hebben gesproken
Deze tijd oefenen

In de grammaticagids: Onvoltooid tegenwoordige tijd · Voltooid tegenwoordige tijd

Voorwaardelijke wijs Conditionnel

Onvoltooid verleden toekomende tijdConditionnel présentB1

  • ik zou spreken
  • jij zou spreken
  • u zou spreken
  • hij/zij/het zou spreken
  • wij zouden spreken
  • jullie zouden spreken
  • zij zouden spreken
Deze tijd oefenen

Voltooid verleden toekomende tijdConditionnel passéB2

  • ik zou gesproken hebben / zou hebben gesproken
  • jij zou gesproken hebben / zou hebben gesproken
  • u zou gesproken hebben / zou hebben gesproken
  • hij/zij/het zou gesproken hebben / zou hebben gesproken
  • wij zouden gesproken hebben / zouden hebben gesproken
  • jullie zouden gesproken hebben / zouden hebben gesproken
  • zij zouden gesproken hebben / zouden hebben gesproken
Deze tijd oefenen

Gebiedende wijs Impératif

Gebiedende wijsImpératifA1

  • (jij) spreek
  • spreekt u
Deze tijd oefenen

In de grammaticagids: Gebiedende wijs

Infinitief en deelwoord Formes impersonnelles

InfinitiefInfinitifA1

  • spreken

Voltooid deelwoordParticipe passéA1

  • gesproken

In de grammaticagids: Voltooid deelwoord

onregelmatige vorm · spellingswijziging