Kardamone
Professeurs S’inscrire

staan

A2 Een ander werkwoord vervoegen →

Onregelmatig werkwoord · hulpwerkwoord hebben

Aantonende wijs Indicatif

Onvoltooid tegenwoordige tijdPrésentA1

  • ik sta
  • jij staat
  • u staat
  • hij/zij/het staat
  • wij staan
  • jullie staan
  • zij staan
Deze tijd oefenen

Voltooid tegenwoordige tijdPassé composéA1

  • ik heb gestaan
  • jij hebt gestaan
  • u hebt gestaan
  • hij/zij/het heeft gestaan
  • wij hebben gestaan
  • jullie hebben gestaan
  • zij hebben gestaan
Deze tijd oefenen

Onvoltooid verleden tijdPrétéritA2

  • ik stond
  • jij stond
  • u stond
  • hij/zij/het stond
  • wij stonden
  • jullie stonden
  • zij stonden
Deze tijd oefenen

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur simpleA2

  • ik zal staan
  • jij zult staan
  • u zult staan
  • hij/zij/het zal staan
  • wij zullen staan
  • jullie zullen staan
  • zij zullen staan
Deze tijd oefenen

Voltooid verleden tijdPlus-que-parfaitB1

  • ik had gestaan
  • jij had gestaan
  • u had gestaan
  • hij/zij/het had gestaan
  • wij hadden gestaan
  • jullie hadden gestaan
  • zij hadden gestaan
Deze tijd oefenen

Voltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur antérieurB2

  • ik zal gestaan hebben / zal hebben gestaan
  • jij zult gestaan hebben / zult hebben gestaan
  • u zult gestaan hebben / zult hebben gestaan
  • hij/zij/het zal gestaan hebben / zal hebben gestaan
  • wij zullen gestaan hebben / zullen hebben gestaan
  • jullie zullen gestaan hebben / zullen hebben gestaan
  • zij zullen gestaan hebben / zullen hebben gestaan
Deze tijd oefenen

In de grammaticagids: Onvoltooid tegenwoordige tijd · Voltooid tegenwoordige tijd

Voorwaardelijke wijs Conditionnel

Onvoltooid verleden toekomende tijdConditionnel présentB1

  • ik zou staan
  • jij zou staan
  • u zou staan
  • hij/zij/het zou staan
  • wij zouden staan
  • jullie zouden staan
  • zij zouden staan
Deze tijd oefenen

Voltooid verleden toekomende tijdConditionnel passéB2

  • ik zou gestaan hebben / zou hebben gestaan
  • jij zou gestaan hebben / zou hebben gestaan
  • u zou gestaan hebben / zou hebben gestaan
  • hij/zij/het zou gestaan hebben / zou hebben gestaan
  • wij zouden gestaan hebben / zouden hebben gestaan
  • jullie zouden gestaan hebben / zouden hebben gestaan
  • zij zouden gestaan hebben / zouden hebben gestaan
Deze tijd oefenen

Gebiedende wijs Impératif

Gebiedende wijsImpératifA1

  • (jij) sta
  • staat u
Deze tijd oefenen

In de grammaticagids: Gebiedende wijs

Infinitief en deelwoord Formes impersonnelles

InfinitiefInfinitifA1

  • staan

Voltooid deelwoordParticipe passéA1

  • gestaan

In de grammaticagids: Voltooid deelwoord

onregelmatige vorm