Kardamone
Professeurs S’inscrire

voorstellen

A1 Een ander werkwoord vervoegen →

hulpwerkwoord hebben

Aantonende wijs Indicatif

Onvoltooid tegenwoordige tijdPrésentA1

  • ik stel voor
  • jij stelt voor
  • u stelt voor
  • hij/zij/het stelt voor
  • wij stellen voor
  • jullie stellen voor
  • zij stellen voor
Deze tijd oefenen

Voltooid tegenwoordige tijdPassé composéA1

  • ik heb voorgesteld
  • jij hebt voorgesteld
  • u hebt voorgesteld
  • hij/zij/het heeft voorgesteld
  • wij hebben voorgesteld
  • jullie hebben voorgesteld
  • zij hebben voorgesteld
Deze tijd oefenen

Onvoltooid verleden tijdPrétéritA2

  • ik stelde voor
  • jij stelde voor
  • u stelde voor
  • hij/zij/het stelde voor
  • wij stelden voor
  • jullie stelden voor
  • zij stelden voor
Deze tijd oefenen

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur simpleA2

  • ik zal voorstellen
  • jij zult voorstellen
  • u zult voorstellen
  • hij/zij/het zal voorstellen
  • wij zullen voorstellen
  • jullie zullen voorstellen
  • zij zullen voorstellen
Deze tijd oefenen

Voltooid verleden tijdPlus-que-parfaitB1

  • ik had voorgesteld
  • jij had voorgesteld
  • u had voorgesteld
  • hij/zij/het had voorgesteld
  • wij hadden voorgesteld
  • jullie hadden voorgesteld
  • zij hadden voorgesteld
Deze tijd oefenen

Voltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur antérieurB2

  • ik zal voorgesteld hebben / zal hebben voorgesteld
  • jij zult voorgesteld hebben / zult hebben voorgesteld
  • u zult voorgesteld hebben / zult hebben voorgesteld
  • hij/zij/het zal voorgesteld hebben / zal hebben voorgesteld
  • wij zullen voorgesteld hebben / zullen hebben voorgesteld
  • jullie zullen voorgesteld hebben / zullen hebben voorgesteld
  • zij zullen voorgesteld hebben / zullen hebben voorgesteld
Deze tijd oefenen

In de grammaticagids: Onvoltooid tegenwoordige tijd · Voltooid tegenwoordige tijd

Voorwaardelijke wijs Conditionnel

Onvoltooid verleden toekomende tijdConditionnel présentB1

  • ik zou voorstellen
  • jij zou voorstellen
  • u zou voorstellen
  • hij/zij/het zou voorstellen
  • wij zouden voorstellen
  • jullie zouden voorstellen
  • zij zouden voorstellen
Deze tijd oefenen

Voltooid verleden toekomende tijdConditionnel passéB2

  • ik zou voorgesteld hebben / zou hebben voorgesteld
  • jij zou voorgesteld hebben / zou hebben voorgesteld
  • u zou voorgesteld hebben / zou hebben voorgesteld
  • hij/zij/het zou voorgesteld hebben / zou hebben voorgesteld
  • wij zouden voorgesteld hebben / zouden hebben voorgesteld
  • jullie zouden voorgesteld hebben / zouden hebben voorgesteld
  • zij zouden voorgesteld hebben / zouden hebben voorgesteld
Deze tijd oefenen

Gebiedende wijs Impératif

Gebiedende wijsImpératifA1

  • (jij) stel voor
  • stelt u voor
Deze tijd oefenen

In de grammaticagids: Gebiedende wijs

Infinitief en deelwoord Formes impersonnelles

InfinitiefInfinitifA1

  • voorstellen

Voltooid deelwoordParticipe passéA1

  • voorgesteld

In de grammaticagids: Voltooid deelwoord

spellingswijziging