wandelen
A2 Een ander werkwoord vervoegen →hulpwerkwoord hebben
Aantonende wijs Indicatif
Onvoltooid tegenwoordige tijdPrésentA1
- ik wandel
- jij wandelt
- u wandelt
- hij/zij/het wandelt
- wij wandelen
- jullie wandelen
- zij wandelen
Voltooid tegenwoordige tijdPassé composéA1
- ik heb gewandeld / ben gewandeld
- jij hebt gewandeld / bent gewandeld
- u hebt gewandeld / bent gewandeld
- hij/zij/het heeft gewandeld / is gewandeld
- wij hebben gewandeld / zijn gewandeld
- jullie hebben gewandeld / zijn gewandeld
- zij hebben gewandeld / zijn gewandeld
Onvoltooid verleden tijdPrétéritA2
- ik wandelde
- jij wandelde
- u wandelde
- hij/zij/het wandelde
- wij wandelden
- jullie wandelden
- zij wandelden
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur simpleA2
- ik zal wandelen
- jij zult wandelen
- u zult wandelen
- hij/zij/het zal wandelen
- wij zullen wandelen
- jullie zullen wandelen
- zij zullen wandelen
Voltooid verleden tijdPlus-que-parfaitB1
- ik had gewandeld / was gewandeld
- jij had gewandeld / was gewandeld
- u had gewandeld / was gewandeld
- hij/zij/het had gewandeld / was gewandeld
- wij hadden gewandeld / waren gewandeld
- jullie hadden gewandeld / waren gewandeld
- zij hadden gewandeld / waren gewandeld
Voltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur antérieurB2
- ik zal gewandeld hebben / zal gewandeld zijn / zal hebben gewandeld
- jij zult gewandeld hebben / zult gewandeld zijn / zult hebben gewandeld
- u zult gewandeld hebben / zult gewandeld zijn / zult hebben gewandeld
- hij/zij/het zal gewandeld hebben / zal gewandeld zijn / zal hebben gewandeld
- wij zullen gewandeld hebben / zullen gewandeld zijn / zullen hebben gewandeld
- jullie zullen gewandeld hebben / zullen gewandeld zijn / zullen hebben gewandeld
- zij zullen gewandeld hebben / zullen gewandeld zijn / zullen hebben gewandeld
In de grammaticagids: Onvoltooid tegenwoordige tijd · Voltooid tegenwoordige tijd
Voorwaardelijke wijs Conditionnel
Onvoltooid verleden toekomende tijdConditionnel présentB1
- ik zou wandelen
- jij zou wandelen
- u zou wandelen
- hij/zij/het zou wandelen
- wij zouden wandelen
- jullie zouden wandelen
- zij zouden wandelen
Voltooid verleden toekomende tijdConditionnel passéB2
- ik zou gewandeld hebben / zou gewandeld zijn / zou hebben gewandeld
- jij zou gewandeld hebben / zou gewandeld zijn / zou hebben gewandeld
- u zou gewandeld hebben / zou gewandeld zijn / zou hebben gewandeld
- hij/zij/het zou gewandeld hebben / zou gewandeld zijn / zou hebben gewandeld
- wij zouden gewandeld hebben / zouden gewandeld zijn / zouden hebben gewandeld
- jullie zouden gewandeld hebben / zouden gewandeld zijn / zouden hebben gewandeld
- zij zouden gewandeld hebben / zouden gewandeld zijn / zouden hebben gewandeld
Gebiedende wijs Impératif
In de grammaticagids: Gebiedende wijs
Infinitief en deelwoord Formes impersonnelles
InfinitiefInfinitifA1
- wandelen
Voltooid deelwoordParticipe passéA1
- gewandeld
In de grammaticagids: Voltooid deelwoord