Kardamone
Professeurs S’inscrire

wassen

A1 Een ander werkwoord vervoegen →

Onregelmatig werkwoord · hulpwerkwoord hebben

Aantonende wijs Indicatif

Onvoltooid tegenwoordige tijdPrésentA1

  • ik was
  • jij wast
  • u wast
  • hij/zij/het wast
  • wij wassen
  • jullie wassen
  • zij wassen
Deze tijd oefenen

Voltooid tegenwoordige tijdPassé composéA1

  • ik heb gewassen
  • jij hebt gewassen
  • u hebt gewassen
  • hij/zij/het heeft gewassen
  • wij hebben gewassen
  • jullie hebben gewassen
  • zij hebben gewassen
Deze tijd oefenen

Onvoltooid verleden tijdPrétéritA2

  • ik waste
  • jij waste
  • u waste
  • hij/zij/het waste
  • wij wasten
  • jullie wasten
  • zij wasten
Deze tijd oefenen

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur simpleA2

  • ik zal wassen
  • jij zult wassen
  • u zult wassen
  • hij/zij/het zal wassen
  • wij zullen wassen
  • jullie zullen wassen
  • zij zullen wassen
Deze tijd oefenen

Voltooid verleden tijdPlus-que-parfaitB1

  • ik had gewassen
  • jij had gewassen
  • u had gewassen
  • hij/zij/het had gewassen
  • wij hadden gewassen
  • jullie hadden gewassen
  • zij hadden gewassen
Deze tijd oefenen

Voltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur antérieurB2

  • ik zal gewassen hebben / zal hebben gewassen
  • jij zult gewassen hebben / zult hebben gewassen
  • u zult gewassen hebben / zult hebben gewassen
  • hij/zij/het zal gewassen hebben / zal hebben gewassen
  • wij zullen gewassen hebben / zullen hebben gewassen
  • jullie zullen gewassen hebben / zullen hebben gewassen
  • zij zullen gewassen hebben / zullen hebben gewassen
Deze tijd oefenen

In de grammaticagids: Onvoltooid tegenwoordige tijd · Voltooid tegenwoordige tijd

Voorwaardelijke wijs Conditionnel

Onvoltooid verleden toekomende tijdConditionnel présentB1

  • ik zou wassen
  • jij zou wassen
  • u zou wassen
  • hij/zij/het zou wassen
  • wij zouden wassen
  • jullie zouden wassen
  • zij zouden wassen
Deze tijd oefenen

Voltooid verleden toekomende tijdConditionnel passéB2

  • ik zou gewassen hebben / zou hebben gewassen
  • jij zou gewassen hebben / zou hebben gewassen
  • u zou gewassen hebben / zou hebben gewassen
  • hij/zij/het zou gewassen hebben / zou hebben gewassen
  • wij zouden gewassen hebben / zouden hebben gewassen
  • jullie zouden gewassen hebben / zouden hebben gewassen
  • zij zouden gewassen hebben / zouden hebben gewassen
Deze tijd oefenen

Gebiedende wijs Impératif

Gebiedende wijsImpératifA1

  • (jij) was
  • wast u
Deze tijd oefenen

In de grammaticagids: Gebiedende wijs

Infinitief en deelwoord Formes impersonnelles

InfinitiefInfinitifA1

  • wassen

Voltooid deelwoordParticipe passéA1

  • gewassen

In de grammaticagids: Voltooid deelwoord

onregelmatige vorm · spellingswijziging