Kardamone
Professeurs S’inscrire

wonen

A1 Een ander werkwoord vervoegen →

hulpwerkwoord hebben

Aantonende wijs Indicatif

Onvoltooid tegenwoordige tijdPrésentA1

  • ik woon
  • jij woont
  • u woont
  • hij/zij/het woont
  • wij wonen
  • jullie wonen
  • zij wonen
Deze tijd oefenen

Voltooid tegenwoordige tijdPassé composéA1

  • ik heb gewoond
  • jij hebt gewoond
  • u hebt gewoond
  • hij/zij/het heeft gewoond
  • wij hebben gewoond
  • jullie hebben gewoond
  • zij hebben gewoond
Deze tijd oefenen

Onvoltooid verleden tijdPrétéritA2

  • ik woonde
  • jij woonde
  • u woonde
  • hij/zij/het woonde
  • wij woonden
  • jullie woonden
  • zij woonden
Deze tijd oefenen

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur simpleA2

  • ik zal wonen
  • jij zult wonen
  • u zult wonen
  • hij/zij/het zal wonen
  • wij zullen wonen
  • jullie zullen wonen
  • zij zullen wonen
Deze tijd oefenen

Voltooid verleden tijdPlus-que-parfaitB1

  • ik had gewoond
  • jij had gewoond
  • u had gewoond
  • hij/zij/het had gewoond
  • wij hadden gewoond
  • jullie hadden gewoond
  • zij hadden gewoond
Deze tijd oefenen

Voltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur antérieurB2

  • ik zal gewoond hebben / zal hebben gewoond
  • jij zult gewoond hebben / zult hebben gewoond
  • u zult gewoond hebben / zult hebben gewoond
  • hij/zij/het zal gewoond hebben / zal hebben gewoond
  • wij zullen gewoond hebben / zullen hebben gewoond
  • jullie zullen gewoond hebben / zullen hebben gewoond
  • zij zullen gewoond hebben / zullen hebben gewoond
Deze tijd oefenen

In de grammaticagids: Onvoltooid tegenwoordige tijd · Voltooid tegenwoordige tijd

Voorwaardelijke wijs Conditionnel

Onvoltooid verleden toekomende tijdConditionnel présentB1

  • ik zou wonen
  • jij zou wonen
  • u zou wonen
  • hij/zij/het zou wonen
  • wij zouden wonen
  • jullie zouden wonen
  • zij zouden wonen
Deze tijd oefenen

Voltooid verleden toekomende tijdConditionnel passéB2

  • ik zou gewoond hebben / zou hebben gewoond
  • jij zou gewoond hebben / zou hebben gewoond
  • u zou gewoond hebben / zou hebben gewoond
  • hij/zij/het zou gewoond hebben / zou hebben gewoond
  • wij zouden gewoond hebben / zouden hebben gewoond
  • jullie zouden gewoond hebben / zouden hebben gewoond
  • zij zouden gewoond hebben / zouden hebben gewoond
Deze tijd oefenen

Gebiedende wijs Impératif

Gebiedende wijsImpératifA1

  • (jij) woon
  • woont u
Deze tijd oefenen

In de grammaticagids: Gebiedende wijs

Infinitief en deelwoord Formes impersonnelles

InfinitiefInfinitifA1

  • wonen

Voltooid deelwoordParticipe passéA1

  • gewoond

In de grammaticagids: Voltooid deelwoord

spellingswijziging