Kardamone
Professeurs S’inscrire

zitten

A1 Een ander werkwoord vervoegen →

Onregelmatig werkwoord · hulpwerkwoord hebben

Aantonende wijs Indicatif

Onvoltooid tegenwoordige tijdPrésentA1

  • ik zit
  • jij zit
  • u zit
  • hij/zij/het zit
  • wij zitten
  • jullie zitten
  • zij zitten
Deze tijd oefenen

Voltooid tegenwoordige tijdPassé composéA1

  • ik heb gezeten
  • jij hebt gezeten
  • u hebt gezeten
  • hij/zij/het heeft gezeten
  • wij hebben gezeten
  • jullie hebben gezeten
  • zij hebben gezeten
Deze tijd oefenen

Onvoltooid verleden tijdPrétéritA2

  • ik zat
  • jij zat
  • u zat
  • hij/zij/het zat
  • wij zaten
  • jullie zaten
  • zij zaten
Deze tijd oefenen

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur simpleA2

  • ik zal zitten
  • jij zult zitten
  • u zult zitten
  • hij/zij/het zal zitten
  • wij zullen zitten
  • jullie zullen zitten
  • zij zullen zitten
Deze tijd oefenen

Voltooid verleden tijdPlus-que-parfaitB1

  • ik had gezeten
  • jij had gezeten
  • u had gezeten
  • hij/zij/het had gezeten
  • wij hadden gezeten
  • jullie hadden gezeten
  • zij hadden gezeten
Deze tijd oefenen

Voltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur antérieurB2

  • ik zal gezeten hebben / zal hebben gezeten
  • jij zult gezeten hebben / zult hebben gezeten
  • u zult gezeten hebben / zult hebben gezeten
  • hij/zij/het zal gezeten hebben / zal hebben gezeten
  • wij zullen gezeten hebben / zullen hebben gezeten
  • jullie zullen gezeten hebben / zullen hebben gezeten
  • zij zullen gezeten hebben / zullen hebben gezeten
Deze tijd oefenen

In de grammaticagids: Onvoltooid tegenwoordige tijd · Voltooid tegenwoordige tijd

Voorwaardelijke wijs Conditionnel

Onvoltooid verleden toekomende tijdConditionnel présentB1

  • ik zou zitten
  • jij zou zitten
  • u zou zitten
  • hij/zij/het zou zitten
  • wij zouden zitten
  • jullie zouden zitten
  • zij zouden zitten
Deze tijd oefenen

Voltooid verleden toekomende tijdConditionnel passéB2

  • ik zou gezeten hebben / zou hebben gezeten
  • jij zou gezeten hebben / zou hebben gezeten
  • u zou gezeten hebben / zou hebben gezeten
  • hij/zij/het zou gezeten hebben / zou hebben gezeten
  • wij zouden gezeten hebben / zouden hebben gezeten
  • jullie zouden gezeten hebben / zouden hebben gezeten
  • zij zouden gezeten hebben / zouden hebben gezeten
Deze tijd oefenen

Gebiedende wijs Impératif

Gebiedende wijsImpératifA1

  • (jij) zit
  • zit u
Deze tijd oefenen

In de grammaticagids: Gebiedende wijs

Infinitief en deelwoord Formes impersonnelles

InfinitiefInfinitifA1

  • zitten

Voltooid deelwoordParticipe passéA1

  • gezeten

In de grammaticagids: Voltooid deelwoord

onregelmatige vorm · spellingswijziging