Kardamone
Professeurs S’inscrire

fotograferen

A2 Een ander werkwoord vervoegen →

hulpwerkwoord hebben · vervoegd als wonen

Aantonende wijs Indicatif

Onvoltooid tegenwoordige tijdPrésentA1

  • ik fotografeer
  • jij fotografeert
  • u fotografeert
  • hij/zij/het fotografeert
  • wij fotograferen
  • jullie fotograferen
  • zij fotograferen
Deze tijd oefenen

Voltooid tegenwoordige tijdPassé composéA1

  • ik heb gefotografeerd
  • jij hebt gefotografeerd
  • u hebt gefotografeerd
  • hij/zij/het heeft gefotografeerd
  • wij hebben gefotografeerd
  • jullie hebben gefotografeerd
  • zij hebben gefotografeerd
Deze tijd oefenen

Onvoltooid verleden tijdPrétéritA2

  • ik fotografeerde
  • jij fotografeerde
  • u fotografeerde
  • hij/zij/het fotografeerde
  • wij fotografeerden
  • jullie fotografeerden
  • zij fotografeerden
Deze tijd oefenen

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur simpleA2

  • ik zal fotograferen
  • jij zult fotograferen
  • u zult fotograferen
  • hij/zij/het zal fotograferen
  • wij zullen fotograferen
  • jullie zullen fotograferen
  • zij zullen fotograferen
Deze tijd oefenen

Voltooid verleden tijdPlus-que-parfaitB1

  • ik had gefotografeerd
  • jij had gefotografeerd
  • u had gefotografeerd
  • hij/zij/het had gefotografeerd
  • wij hadden gefotografeerd
  • jullie hadden gefotografeerd
  • zij hadden gefotografeerd
Deze tijd oefenen

Voltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur antérieurB2

  • ik zal gefotografeerd hebben / zal hebben gefotografeerd
  • jij zult gefotografeerd hebben / zult hebben gefotografeerd
  • u zult gefotografeerd hebben / zult hebben gefotografeerd
  • hij/zij/het zal gefotografeerd hebben / zal hebben gefotografeerd
  • wij zullen gefotografeerd hebben / zullen hebben gefotografeerd
  • jullie zullen gefotografeerd hebben / zullen hebben gefotografeerd
  • zij zullen gefotografeerd hebben / zullen hebben gefotografeerd
Deze tijd oefenen

In de grammaticagids: Onvoltooid tegenwoordige tijd · Voltooid tegenwoordige tijd

Voorwaardelijke wijs Conditionnel

Onvoltooid verleden toekomende tijdConditionnel présentB1

  • ik zou fotograferen
  • jij zou fotograferen
  • u zou fotograferen
  • hij/zij/het zou fotograferen
  • wij zouden fotograferen
  • jullie zouden fotograferen
  • zij zouden fotograferen
Deze tijd oefenen

Voltooid verleden toekomende tijdConditionnel passéB2

  • ik zou gefotografeerd hebben / zou hebben gefotografeerd
  • jij zou gefotografeerd hebben / zou hebben gefotografeerd
  • u zou gefotografeerd hebben / zou hebben gefotografeerd
  • hij/zij/het zou gefotografeerd hebben / zou hebben gefotografeerd
  • wij zouden gefotografeerd hebben / zouden hebben gefotografeerd
  • jullie zouden gefotografeerd hebben / zouden hebben gefotografeerd
  • zij zouden gefotografeerd hebben / zouden hebben gefotografeerd
Deze tijd oefenen

Gebiedende wijs Impératif

Gebiedende wijsImpératifA1

  • (jij) fotografeer
  • fotografeert u
Deze tijd oefenen

In de grammaticagids: Gebiedende wijs

Infinitief en deelwoord Formes impersonnelles

InfinitiefInfinitifA1

  • fotograferen

Voltooid deelwoordParticipe passéA1

  • gefotografeerd

In de grammaticagids: Voltooid deelwoord

spellingswijziging