Kardamone
Professeurs S’inscrire

kennen

A1 Een ander werkwoord vervoegen →

hulpwerkwoord hebben · vervoegd als wonen

Aantonende wijs Indicatif

Onvoltooid tegenwoordige tijdPrésentA1

  • ik ken
  • jij kent
  • u kent
  • hij/zij/het kent
  • wij kennen
  • jullie kennen
  • zij kennen
Deze tijd oefenen

Voltooid tegenwoordige tijdPassé composéA1

  • ik heb gekend
  • jij hebt gekend
  • u hebt gekend
  • hij/zij/het heeft gekend
  • wij hebben gekend
  • jullie hebben gekend
  • zij hebben gekend
Deze tijd oefenen

Onvoltooid verleden tijdPrétéritA2

  • ik kende
  • jij kende
  • u kende
  • hij/zij/het kende
  • wij kenden
  • jullie kenden
  • zij kenden
Deze tijd oefenen

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur simpleA2

  • ik zal kennen
  • jij zult kennen
  • u zult kennen
  • hij/zij/het zal kennen
  • wij zullen kennen
  • jullie zullen kennen
  • zij zullen kennen
Deze tijd oefenen

Voltooid verleden tijdPlus-que-parfaitB1

  • ik had gekend
  • jij had gekend
  • u had gekend
  • hij/zij/het had gekend
  • wij hadden gekend
  • jullie hadden gekend
  • zij hadden gekend
Deze tijd oefenen

Voltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur antérieurB2

  • ik zal gekend hebben / zal hebben gekend
  • jij zult gekend hebben / zult hebben gekend
  • u zult gekend hebben / zult hebben gekend
  • hij/zij/het zal gekend hebben / zal hebben gekend
  • wij zullen gekend hebben / zullen hebben gekend
  • jullie zullen gekend hebben / zullen hebben gekend
  • zij zullen gekend hebben / zullen hebben gekend
Deze tijd oefenen

In de grammaticagids: Onvoltooid tegenwoordige tijd · Voltooid tegenwoordige tijd

Voorwaardelijke wijs Conditionnel

Onvoltooid verleden toekomende tijdConditionnel présentB1

  • ik zou kennen
  • jij zou kennen
  • u zou kennen
  • hij/zij/het zou kennen
  • wij zouden kennen
  • jullie zouden kennen
  • zij zouden kennen
Deze tijd oefenen

Voltooid verleden toekomende tijdConditionnel passéB2

  • ik zou gekend hebben / zou hebben gekend
  • jij zou gekend hebben / zou hebben gekend
  • u zou gekend hebben / zou hebben gekend
  • hij/zij/het zou gekend hebben / zou hebben gekend
  • wij zouden gekend hebben / zouden hebben gekend
  • jullie zouden gekend hebben / zouden hebben gekend
  • zij zouden gekend hebben / zouden hebben gekend
Deze tijd oefenen

Gebiedende wijs Impératif

Gebiedende wijsImpératifA1

  • (jij) ken
  • kent u
Deze tijd oefenen

In de grammaticagids: Gebiedende wijs

Infinitief en deelwoord Formes impersonnelles

InfinitiefInfinitifA1

  • kennen

Voltooid deelwoordParticipe passéA1

  • gekend

In de grammaticagids: Voltooid deelwoord

spellingswijziging