Kardamone
Docenten Account aanmaken

opstaan

A1 Een ander werkwoord vervoegen →

Onregelmatig werkwoord · hulpwerkwoord zijn · vervoegd als staan

Aantonende wijs

Onvoltooid tegenwoordige tijdA1

  • ik sta op
  • jij staat op
  • u staat op
  • hij/zij/het staat op
  • wij staan op
  • jullie staan op
  • zij staan op
Deze tijd oefenen

Voltooid tegenwoordige tijdA1

  • ik ben opgestaan
  • jij bent opgestaan
  • u bent opgestaan
  • hij/zij/het is opgestaan
  • wij zijn opgestaan
  • jullie zijn opgestaan
  • zij zijn opgestaan
Deze tijd oefenen

Onvoltooid verleden tijdA2

  • ik stond op
  • jij stond op
  • u stond op
  • hij/zij/het stond op
  • wij stonden op
  • jullie stonden op
  • zij stonden op
Deze tijd oefenen

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijdA2

  • ik zal opstaan
  • jij zult opstaan
  • u zult opstaan
  • hij/zij/het zal opstaan
  • wij zullen opstaan
  • jullie zullen opstaan
  • zij zullen opstaan
Deze tijd oefenen

Voltooid verleden tijdB1

  • ik was opgestaan
  • jij was opgestaan
  • u was opgestaan
  • hij/zij/het was opgestaan
  • wij waren opgestaan
  • jullie waren opgestaan
  • zij waren opgestaan
Deze tijd oefenen

Voltooid tegenwoordige toekomende tijdB2

  • ik zal opgestaan zijn / zal zijn opgestaan
  • jij zult opgestaan zijn / zult zijn opgestaan
  • u zult opgestaan zijn / zult zijn opgestaan
  • hij/zij/het zal opgestaan zijn / zal zijn opgestaan
  • wij zullen opgestaan zijn / zullen zijn opgestaan
  • jullie zullen opgestaan zijn / zullen zijn opgestaan
  • zij zullen opgestaan zijn / zullen zijn opgestaan
Deze tijd oefenen

In de grammaticagids: Onvoltooid tegenwoordige tijd · Voltooid tegenwoordige tijd

Voorwaardelijke wijs

Onvoltooid verleden toekomende tijdB1

  • ik zou opstaan
  • jij zou opstaan
  • u zou opstaan
  • hij/zij/het zou opstaan
  • wij zouden opstaan
  • jullie zouden opstaan
  • zij zouden opstaan
Deze tijd oefenen

Voltooid verleden toekomende tijdB2

  • ik zou opgestaan zijn / zou zijn opgestaan
  • jij zou opgestaan zijn / zou zijn opgestaan
  • u zou opgestaan zijn / zou zijn opgestaan
  • hij/zij/het zou opgestaan zijn / zou zijn opgestaan
  • wij zouden opgestaan zijn / zouden zijn opgestaan
  • jullie zouden opgestaan zijn / zouden zijn opgestaan
  • zij zouden opgestaan zijn / zouden zijn opgestaan
Deze tijd oefenen

Gebiedende wijs

Gebiedende wijsA1

  • (jij) sta op
  • staat u op
Deze tijd oefenen

In de grammaticagids: Gebiedende wijs

Infinitief en deelwoord

InfinitiefA1

  • opstaan

Voltooid deelwoordA1

  • opgestaan

In de grammaticagids: Voltooid deelwoord

onregelmatige vorm