sturen
A1 Een ander werkwoord vervoegen →hulpwerkwoord hebben · vervoegd als wonen
Aantonende wijs Indicatif
Onvoltooid tegenwoordige tijdPrésentA1
- ik stuur
- jij stuurt
- u stuurt
- hij/zij/het stuurt
- wij sturen
- jullie sturen
- zij sturen
Voltooid tegenwoordige tijdPassé composéA1
- ik heb gestuurd
- jij hebt gestuurd
- u hebt gestuurd
- hij/zij/het heeft gestuurd
- wij hebben gestuurd
- jullie hebben gestuurd
- zij hebben gestuurd
Onvoltooid verleden tijdPrétéritA2
- ik stuurde
- jij stuurde
- u stuurde
- hij/zij/het stuurde
- wij stuurden
- jullie stuurden
- zij stuurden
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur simpleA2
- ik zal sturen
- jij zult sturen
- u zult sturen
- hij/zij/het zal sturen
- wij zullen sturen
- jullie zullen sturen
- zij zullen sturen
Voltooid verleden tijdPlus-que-parfaitB1
- ik had gestuurd
- jij had gestuurd
- u had gestuurd
- hij/zij/het had gestuurd
- wij hadden gestuurd
- jullie hadden gestuurd
- zij hadden gestuurd
Voltooid tegenwoordige toekomende tijdFutur antérieurB2
- ik zal gestuurd hebben / zal hebben gestuurd
- jij zult gestuurd hebben / zult hebben gestuurd
- u zult gestuurd hebben / zult hebben gestuurd
- hij/zij/het zal gestuurd hebben / zal hebben gestuurd
- wij zullen gestuurd hebben / zullen hebben gestuurd
- jullie zullen gestuurd hebben / zullen hebben gestuurd
- zij zullen gestuurd hebben / zullen hebben gestuurd
In de grammaticagids: Onvoltooid tegenwoordige tijd · Voltooid tegenwoordige tijd
Voorwaardelijke wijs Conditionnel
Onvoltooid verleden toekomende tijdConditionnel présentB1
- ik zou sturen
- jij zou sturen
- u zou sturen
- hij/zij/het zou sturen
- wij zouden sturen
- jullie zouden sturen
- zij zouden sturen
Voltooid verleden toekomende tijdConditionnel passéB2
- ik zou gestuurd hebben / zou hebben gestuurd
- jij zou gestuurd hebben / zou hebben gestuurd
- u zou gestuurd hebben / zou hebben gestuurd
- hij/zij/het zou gestuurd hebben / zou hebben gestuurd
- wij zouden gestuurd hebben / zouden hebben gestuurd
- jullie zouden gestuurd hebben / zouden hebben gestuurd
- zij zouden gestuurd hebben / zouden hebben gestuurd
Gebiedende wijs Impératif
In de grammaticagids: Gebiedende wijs
Infinitief en deelwoord Formes impersonnelles
InfinitiefInfinitifA1
- sturen
Voltooid deelwoordParticipe passéA1
- gestuurd
In de grammaticagids: Voltooid deelwoord
spellingswijziging