Kardamone
Nauczyciele Załóż konto

leggen

A1 Een ander werkwoord vervoegen →

hulpwerkwoord hebben · vervoegd als wonen

Aantonende wijs Tryb oznajmujący

Onvoltooid tegenwoordige tijdCzas teraźniejszyA1

  • ik leg
  • jij legt
  • u legt
  • hij/zij/het legt
  • wij leggen
  • jullie leggen
  • zij leggen
Deze tijd oefenen

Voltooid tegenwoordige tijdCzas przeszły złożonyA1

  • ik heb gelegd
  • jij hebt gelegd
  • u hebt gelegd
  • hij/zij/het heeft gelegd
  • wij hebben gelegd
  • jullie hebben gelegd
  • zij hebben gelegd
Deze tijd oefenen

Onvoltooid verleden tijdCzas przeszły prostyA2

  • ik legde
  • jij legde
  • u legde
  • hij/zij/het legde
  • wij legden
  • jullie legden
  • zij legden
Deze tijd oefenen

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijdCzas przyszłyA2

  • ik zal leggen
  • jij zult leggen
  • u zult leggen
  • hij/zij/het zal leggen
  • wij zullen leggen
  • jullie zullen leggen
  • zij zullen leggen
Deze tijd oefenen

Voltooid verleden tijdCzas zaprzeszłyB1

  • ik had gelegd
  • jij had gelegd
  • u had gelegd
  • hij/zij/het had gelegd
  • wij hadden gelegd
  • jullie hadden gelegd
  • zij hadden gelegd
Deze tijd oefenen

Voltooid tegenwoordige toekomende tijdCzas przyszły uprzedniB2

  • ik zal gelegd hebben / zal hebben gelegd
  • jij zult gelegd hebben / zult hebben gelegd
  • u zult gelegd hebben / zult hebben gelegd
  • hij/zij/het zal gelegd hebben / zal hebben gelegd
  • wij zullen gelegd hebben / zullen hebben gelegd
  • jullie zullen gelegd hebben / zullen hebben gelegd
  • zij zullen gelegd hebben / zullen hebben gelegd
Deze tijd oefenen

In de grammaticagids: Onvoltooid tegenwoordige tijd · Voltooid tegenwoordige tijd

Voorwaardelijke wijs Tryb przypuszczający

Onvoltooid verleden toekomende tijdTryb przypuszczający teraźniejszyB1

  • ik zou leggen
  • jij zou leggen
  • u zou leggen
  • hij/zij/het zou leggen
  • wij zouden leggen
  • jullie zouden leggen
  • zij zouden leggen
Deze tijd oefenen

Voltooid verleden toekomende tijdTryb przypuszczający przeszłyB2

  • ik zou gelegd hebben / zou hebben gelegd
  • jij zou gelegd hebben / zou hebben gelegd
  • u zou gelegd hebben / zou hebben gelegd
  • hij/zij/het zou gelegd hebben / zou hebben gelegd
  • wij zouden gelegd hebben / zouden hebben gelegd
  • jullie zouden gelegd hebben / zouden hebben gelegd
  • zij zouden gelegd hebben / zouden hebben gelegd
Deze tijd oefenen

Gebiedende wijs Tryb rozkazujący

Gebiedende wijsTryb rozkazującyA1

  • (jij) leg
  • legt u
Deze tijd oefenen

In de grammaticagids: Gebiedende wijs

Infinitief en deelwoord Formy nieosobowe

InfinitiefBezokolicznikA1

  • leggen

Voltooid deelwoordImiesłów przeszłyA1

  • gelegd

In de grammaticagids: Voltooid deelwoord

spellingswijziging